Loopt je lasdraad vast of brandt deze terug? Controleer draadaanvoer, instellingen en lastechniek met dit praktische stappenplan.
Inhoudsopgave
Een haperende lasdraad verstoort direct het lasproces. De draadaanvoer wordt onregelmatig en de laskwaliteit neemt af. Soms zit de oorzaak in de mechanische draadaanvoer. In andere gevallen brandt de draad vast door machine-instellingen of vaardigheid van de lasser.
Denk bij draadaanvoerproblemen aan de liner, aandrijfrollen en spoelrem. Bij burnback spelen vooral draadsnelheid, spanning en toortsafstand een rol. Soms versterken deze oorzaken elkaar. Daarom is een gerichte controle belangrijk.
1. Waardoor hapert of blokkeert de lasdraad?
Een stabiele draadaanvoer vraagt om zo min mogelijk weerstand. De draad moet soepel vanaf de spoel bewegen. Daarna loopt de lasdraad door de liner naar de lastoorts.
In de lastoorts vindt de stroomoverdracht plaats. Vervolgens beweegt de draad naar de lasboog. Daar smelt de lasdraad af en vormt deze het lasbad.
Een vervuilde of versleten liner remt de lasdraad af. Vuil en metaaldeeltjes veroorzaken extra wrijving. Hierdoor moet de aandrijfmotor steeds harder werken. De draad kan dan schokken of volledig vastlopen.
Ook de aandrijfrollen spelen een belangrijke rol. Bij onvoldoende druk glijdt de draad tussen de rollen. Bij te veel druk kan de draad vervormen. Vervolgens loopt deze moeilijker door de liner en contacttip.
De spoelrem moet eveneens goed staan. Een strakke rem belast de aandrijving onnodig. Een losse rem laat de spoel te lang doordraaien. Hierdoor kunnen lussen, knikken en storingen ontstaan.
2. Lasdraad smelt vast in het draadmondstuk
De lasdraad kan vastsmelten in het draadmondstuk. Dit noemen we burnback of terugbranden. De draad smelt dan terug richting de contacttip. Vervolgens zit deze vast in het draadmondstuk.
Burnback is niet automatisch een draadaanvoerprobleem. De oorzaak kan in de machine-instellingen liggen. Ook de werkwijze van de lasser kan bepalend zijn. Controleer deze onderdelen daarom afzonderlijk.
Mogelijke oorzaken zijn:
De draadaanvoer en lasstroom moeten goed samenwerken. Wordt de draad te langzaam aangevoerd? Dan kan de lasboog richting het draadmondstuk bewegen. De draad smelt vervolgens vast in de contacttip.
Sommige lasmachines hebben een burnback-instelling. Deze bepaalt het moment waarop lasstroom en draad stoppen. Een verkeerde instelling kan vastbranden veroorzaken. Raadpleeg hiervoor de instructies van de fabrikant.
Let op de afstand tot het werkstuk
De toortsafstand beïnvloedt het starten van de las. Staat de toorts te dicht bij het werkstuk? Dan is de vrije draadlengte te kort. De lasdraad kan daardoor snel terugbranden.
Houd tijdens de start voldoende afstand. Gebruik de aanbevolen vrije draadlengte voor het lasproces. Deze verschilt per draaddiameter en toepassing. Houd de afstand tijdens het lassen zo constant mogelijk.
De vaardigheid van de lasser speelt hierbij een duidelijke rol. Een wisselende toortsafstand verandert het gedrag van de lasboog. Ook een onrustige start kan burnback veroorzaken.
Kan een toevoerstoring burnback veroorzaken?
Dat kan, maar hoeft niet. Een haperende draadaanvoer verlaagt tijdelijk de draadsnelheid. Daardoor kan de lasboog teruglopen richting de contacttip. Burnback is dan een gevolg van de toevoerstoring.
Loopt de draad zonder weerstand door het systeem? Controleer dan eerst de lasinstellingen en toortsafstand. Zo voorkom je dat je onnodig mechanische onderdelen vervangt.
Is de draad vastgesmolten? Schakel de installatie dan veilig uit. Vervang het draadmondstuk. Controleer daarna ook de liner en draadaanvoer.
3. Controleer de draadaanvoer stap voor stap
Controleer eerst of de storing mechanisch is. Test de draadaanvoer zonder een las te starten. Loopt de draad dan al schokkerig? Beweeg en verdraai de toorts tijdens deze test. Controleer of de draad bij iedere positie constant blijft lopen.
Begin daarna bij de draadspoel en werk naar voren.
Controleer eerst of de draadspoel vrij beweegt. De draad moet netjes en zonder knikken afrollen. Kijk daarna naar de spoelrem. Deze moet afremmen zonder veel weerstand te veroorzaken.
Bekijk vervolgens de aandrijfrollen en ingestelde druk. Het rolprofiel moet passen bij de gekozen lasdraad. Ook de diameter moet correct zijn. Een verkeerde combinatie veroorzaakt slip of beschadiging.
Controleer daarna de liner en het draadmondstuk. Beide onderdelen moeten bij de draad passen. Vervuiling en slijtage veroorzaken extra weerstand. Vervang onderdelen wanneer reinigen onvoldoende helpt.
Leg het slangenpakket zo recht mogelijk neer. Scherpe bochten verhogen de weerstand in de liner. Dit merk je vooral bij langere slangenpakketten. Zachte draadsoorten zijn hiervoor extra gevoelig.
Beweeg de toorts tijdens de controle in verschillende richtingen. Verdraai het slangenpakket rustig en maak normale lasbewegingen. De draadsnelheid moet daarbij constant blijven.
Gaat de draad tijdens beweging haperen? Dan kan de liner beschadigd zijn. Ook een knik of slijtage in het slangenpakket is mogelijk. Controleer daarom niet alleen in een rechte positie.
Test de draadaanvoer daarna opnieuw zonder te lassen. Laat de draad rustig door het systeem lopen. Let op schokken, slippen en wisselende motorsnelheid.
Loopt de draad nu goed? Maak dan een proeflas. Controleer daarbij spanning, draadsnelheid en toortsafstand. Zo onderscheid je mechanische problemen van burnback.
4. Voorkom nieuwe problemen met passende onderdelen
Gebruik van de juiste materialen met een goede kwaliteit beïnvloedt de draadaanvoer sterk. Kleine maatverschillen kunnen extra weerstand veroorzaken. De juiste combinatie is daarom belangrijk.
Een passende liner ondersteunt de draad over de volledige lengte. Een goed draadmondstuk zorgt voor stabiele stroomoverdracht. Ook blijft de draadopening langer in de juiste vorm.
Van Laar levert onderdelen van Dinse en ABICOR BINZEL. Welke uitvoering geschikt is, hangt af van jouw proces. We kijken daarbij naar draad, toorts en aandrijving.
Let bij de keuze onder meer op:
Controleer ook de koeling van de toorts
Een goede koeling van de lastoorts is belangrijk. Door oververhitting kan het draadmondstuk te warm worden. Daardoor neemt de kans op slijtage en vastsmelten toe.
Controleer daarom of de toorts geschikt is voor het laswerk. Let daarbij op lasstroom, inschakelduur en lasduur. Een te licht uitgevoerde toorts kan onvoldoende koelen.
Controleer of het draadmondstuk goed wordt gekoeld. Bij een watergekoelde toorts moet de koelwatercirculatie goed werken. Controleer slangen, aansluitingen en koelunit op storingen.
Door materialen, toorts en koeling goed af te stemmen, beperk je storingen. Ook blijft de draadaanvoer stabieler tijdens langere productieruns.
Wanneer is een maatwerkoplossing nodig?
Niet iedere toepassing werkt goed met standaardonderdelen. Bij lange slangenpakketten neemt de weerstand toe. Ook zachte lasdraden vragen extra controle.
Hoge draadsnelheden stellen hogere eisen aan de aandrijving. De draad moet krachtig en gelijkmatig worden aangevoerd. Een standaard draadaanvoer is daarvoor niet altijd geschikt.
Van Laar ontwikkelt geavanceerde aandrijfsystemen op maat. Daarbij kijken we ook naar de keuze van de toorts. De toorts moet passen bij lasstroom, draadtype en belasting.
We kijken daarnaast naar draadtype, afstand en gewenste snelheid. Ook houden we rekening met de productieomgeving en koeling. Zo stemmen we het volledige systeem op elkaar af.
Vervolgens combineren we aandrijving, geleiding, toorts en slijtdelen. Zo ontstaat een betrouwbare en herhaalbare draadaanvoer.
Blijft jouw lasdraad haperen of terugbranden? Laat dan het complete systeem beoordelen. Plan een controle via reparatie en onderhoud. Je kunt ook direct contact opnemen.
Dit artikel in één minuut
Wij werken met zorgvuldig geselecteerde producten die garant staan voor kwaliteit en resultaat.
WhatsApp